dinsdag 18 januari 2011

Max Euwe

Op het Max Euwe-plein staat het bronzen beeld van de man die het plein zijn naam gaf. Euwe (1901-1981) was onbetwist de grootste schaker die ons land heeft gekend en is tot dusver de enige Nederlander die zich de beste schaker van de wereld mocht noemen. Grootmeester Hans Ree, tussen 2001 en 2007 de trotse drager van de Euwering, omschrijft het zo: “Wat Willem de Zwijger is voor Nederland, is Euwe voor de Nederlandse schaakwereld: de Vader des Vaderlands”.

Ja, 15 december 1935 was waarlijk een historische dag. Heel het land leefde mee met de held die het in die sombere crisisdagen opnam tegen de grote kampioen Alexandr Aljechin (1892-1946).
Aanvankelijk zag het er niet goed uit voor Euwe. Aljechin nam een ruime voorsprong, maar Euwe vocht zich terug en toen na tachtig dagen de dertigste en laatste partij was aangebroken, had hij een voorsprong van één punt. Tweeduizend toeschouwers zagen in Bellevue aan de Leidsekade, hoe Euwe opende met d4. Bij de 29e zet bood Euwe in gewonnen positie remise aan, maar Aljechin weigerde. Pas na vijf uur schaken en veertig zetten gaf hij zich gewonnen. Aljechin stond plotseling op, gaf zijn tegenstander een hand en riep: “Es lebe Schachweltmeister Euwe!”

De overwinning leidde tot ongekende taferelen. Nederland stond op zijn kop, overal in de stad gingen de vlaggen uit, Euwe werd een Bekende Nederlander avant la lettre. Er werd zelfs een Euwemars gecomponeerd, die door draaiorgels op kermissen en jaarmarkten ten gehore werd gebracht. “Na een tijd van spanning juicht het hele vaderland: hij staat voor, hij staat voor!”
De schaakkoorts woedde als nooit tevoren. In dorpen en steden rezen de clubs als paddestoelen uit de grond en de KNSB schreef in korte tijd 10.000 leden in. “En doctor Euwe heeft gewonnen, hiep hiep hoera, hiep hiep hoera!”
En dat was allemaal te danken aan de man die op zijn vierde schaken leerde van mijn moeder. Machgielis Euwe werd op 20 mei 1901 geboren in de Amsterdamse wijk Watergraafsmeer. Op zijn tiende speelde de onderwijzerszoon zijn eerste toernooi.
Zijn talent was onmiskenbaar, maar Euwe vond zijn studie wiskunde belangrijker. In 1923 studeerde hij cum laude af en werd hij leraar aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes. In 1926 promoveerde hij, opnieuw cum laude, op het proefschrift met de magistrale titel: “Differentiaalvarianten van twee covariante-vectorvelden met vier veranderlijken.”
Euwe hield zichzelf voor dat het schaken niet ten koste mocht gaan van de studie, maar in 1921 werd hij toch Nederlands kampioen en dat zou hij tot 1955 nog twaalf keer doen, nog steeds een record. In 1928 werd hij wereldkampioen bij de amateurs, en hoewel hij daarna eigenlijk wilde stoppen, liet hij zich in 1935 toch verleiden tot een match om de wereldtitel. Twee jaar later was het alweer gedaan met zijn hegemonie. Aljechin versloeg Euwe met 9,5-15,5. De Radiobode schreef: “Een strijd zonder genade, verbitterd en fel, maar ook een strijd vol ridderlijkheid en elan.”.
Tot op de dag van vandaag wordt gediscussieerd over de vraag hoe sterk Euwe eigenlijk was. Hij gold als een aanvallende, tactische speler die dol was op gecompliceerde stellingen. “Een efficiënte mensenetende tijger”, zie de Amerikaanse grootmeester Reuben Fine, en ook grootmeesters als Ree, Timman en zelfs Kasparov hebben hem altijd geroemd. Eddy Sibbing, manager van het Max Euwe Centrum, zegt het zo: “Afgezet tegen genieën als Tal, Botwinnik en Fischer was hij misschien minder sterk, maar hij heeft jarenlang tot de top vijf van de wereld behoord en voor de ontwikkeling van het schaken is Euwe van eminent belang geweest.”
Door het overlijden van Aljechin was de wereldtitel na de oorlog vacant. Het congres van de wereldschaakfederatie Fide riep Euwe opnieuw tot kampioen uit, maar toen de Russen een paar uur later arriveerden, werd toch besloten in 1948 een toernooi te spelen. Euwe eindigde als laatste en in 1953 gaf hij zijn aspiraties op het wereldkampioenschap definitief op. Hij verruilde het lesgeven voor de computer, trad in dienst bij Remmington Rand en werd in 1964 benoemd tot hoogleraar in de informatica. Hij was één van de eerste wetenschappers die een schaakprogramma voor de computer probeerden te maken.

Volgens Sibbing was Euwe een echte calvinist. “Een harde werker, punctueel, no nonsense. Iemand die vroeg opstond, z’n dag tot op het kwartier plande en aan een paar uur slaag genoeg had. Een sober mens ook. Niet iemand met wie je gezellig even de kroeg in dook.”
Ook in zijn woning aan de Johannes Verhulsstraat was Euwe recht in de leer. “Bij ons thuis waren bepaalde mores”, schrijft Fietie, één van de drie dochters, in een herinnering aan haar vader. “Wij aten altijd, in stilte, stipt om acht uur, één uur en zes uur. Dit om door de nieuwsberichten op de hoogte te blijven”.
En zondagmiddag, na het nieuws, werd geluisterd naar de radiocolumn van meester G.B.J. Hiltermann. Ook hierbij mocht niet worden gepraat, maar verder was het, aldus Fietie, “een redelijk normaal gezin”. “Mijn vader hielp me bij het bouwen van zandkastelen.”
Euwe hield van klassieke muziek, keek graag naar de Duitse crimi “Derrick” en bezocht geregeld wedstrijden van Ajax. Altijd had hij zijn emoties onder controle, behalve bij de inval van de Duitsers op 10 mei 1940, de enige keer dat zijn kinderen hem hebben zien huilen.
In de oorlog werd Euwe directeur van het levensmiddelenbedrijf Van Ammerongen. Tijdens de hongerwinter reed hij elke vrijdag een vrachtauto vol kinderen naar Friesland, om beladen met levensmiddelen terug te keren. Ook logeerden er altijd onderduikers in het grote huis aan de Johannes Verhulststraat. Niemand klopte ooit vergeefs bij hem aan.
In 1970 begon een nieuwe fase in zijn leven. Euwe, die groot gezag genoot in de schaakwereld, werd benoemd tot president van de Fide. Hij reisde onvermoeibaar de wereld rond en speelde overal simultaans, soms op veertig borden tegelijk. Maar zijn belangrijkste wapenfeit noteerde hij in 1972, toen hij erin slaagde in Reykjavik “de match van de eeuw” tussen Boris Spasski en Bobby Fischer te organiseren.
Daaraan gingen maanden van moeizame onderhandelingen vooraf, want de Koude Oorlog was in volle gang en de Amerikaan Fischer moest het in zijn eentje opnemen tegen het machtige leger van Sovjetschakers. Met engelengeduld wist Euwe, die boven de partijen stond, de twee vijanden aan één bord te krijgen. Fischer won de match.
In 1978 trad Euwe af, maar niet omdat hij moe was. Onverdroten ging hij door met de promotie van de sport die hem zo dierbaar was. Aan het einde van zijn rijke leven had hij 125 publicaties op zijn naam, waaronder standaardwerken als “Oordeel en plan”, “Theorie der schaakopeningen” en, misschien wel zijn bekendste werk, “Oom Jan leert zijn neefje schaken”, het jeugdboek dat hele generaties de eerste beginselen van het edele spel bijbracht.
In het najaar van 1981 ging Euwe op vakantie naar Israël. Daar, op een berg bij de Dode Zee, kreeg de oersterke man een hartaanval. In Nederland werd hij geopereerd. In zijn boek “The reliable past” schrijft Genna Sosonko dat Euwe voor de operatie had gezegd: “Mijn grootste wens nu is onder een appelboom zitten en niets doen. Niets; gewoon onder een appelboom zitten…….”
Op 26 november stierf Max Euwe. Maar soms, als het net zo sneeuwt als op de dag dat hij wereldkampioen werd, horen de schakers op het plein zijn stem fluisteren in de wind: “d2-d4”.

maandag 17 januari 2011

Böhm geridderd in Wijk aan Zee

Hans Böhm is tijdens de opening van het 73ste Tata Steel Tournament geridderd (2011). Burgemeester Ernst Bakker van Hilversum was daar speciaal voor naar Wijk aan Zee gekomen. Wel was hij verlaat: zijn auto bleef lange tijd in een file steken. Böhm was in het paviljoen op de dorpsweide aanwezig vanwege zijn werkzaamheden voor het dagblad De Telegraaf.

Böhm toonde zich uitermate in zijn nopjes met de koninklijke onderscheiding. 'Ik heb altijd gedacht dat zoiets me niets zou kunnen schelen, mocht het ooit zover komen', aldus de Hilversummer. 'Nu is het dan zover en het is geweldig leuk!'